C
Céline Ariaans  •  23 maart 2020

Paradekoeien

Koeien zijn een van de bekendste en meest geliefde onderwerpen in Delfts aardewerk. Sinds de achttiende eeuw hebben ze menig schoorsteenmantel, meubelstuk en vensterbank opgesierd.

De koeien werden altijd in paren geproduceerd, met de hoofden naar elkaar toegekeerd en met uitstekende tongen. Het is opmerkelijk dat de koeien bijna altijd zijn beschilderd met weelderige bloemenkransen en guirlandes die om hun nek en rug zijn gedrapeerd.

Parade

De Delftse plateelbakkers zijn zeer waarschijnlijk geïnspireerd geraakt door een zeventiende-eeuwse traditie. Elk jaar hield het slagersgilde een parade op de dag van de patroonheilige (Sint Lucas, gesymboliseerd door de apocalyptische gevleugelde os). Middelpunt van het feest was de best gefokte stier of koe van het gilde.

Het beest werd versierd met bloemenslingers en linten en de hoorns werden verguld en bedekt met sinaasappels. De feestelijke processie werd geleid door trommelaars en fluitspelers, gevolgd door een zang- en dansgroep van gildeleden en mensen uit de buurt. Het dier zou later worden geslacht en het vlees werd geserveerd tijdens het gildediner, waarvan een deel zou worden geschonken aan de kerk en de armen.

De Drie Posteleyne Astonne (Three Porcelain Ash-Barrels) factory, polychrome figures of recumbent cows, circa 1765, collection Aronson Antiquairs
De Drie Posteleyne Astonne fabriek, polychrome figuren van liggende koeien, circa 1765, collectie Aronson Antiquairs

Een eeuw later leefde de traditie van het gilde voort in de beeldtaal van Delftse objecten. Een voorbeeld hiervan is het paar staande koeien van circa 1765. De koeien, met blauwgevlekte huid en ijzerrode tongen, dragen slingers van kleurrijke bloemen om hun nek en rug. Deze objecten zijn gemerkt met een bijl-figuurtje voor De Porceleyne Byl.

Ook liggende koeienparen werden gemaakt in Delft, zoals bovenstaande objecten. Net als bij de staande modellen zijn de hals en achterkant van de koeien beschilderd met kleurrijke bloemenslingers.

De koeien liggen echter op een groen plateau met een gele rand. Het paar is gemerkt voor De Drie Posteleyne Astonne. Deze koeien zijn waarschijnlijk gemaakt tijdens de productieperiode van eigenaar Hendrik van Hoorn (1759 -1804). In de fabrieksinventaris van 1803 staan ​​‘koetjes’, ‘koebeesten’ en nog veel meer verwijzingen naar andere dieren, gemodelleerd naar figuren of kleine terrines.1

Polychrome Delftware milking group
Paar polychrome melkgroepen, circa 1765, collectie Aronson Antiquairs

Melkersgroepen

Een andere variant zijn koeien vergezeld van een kalf of in een melkersgroep, zoals bovenstaand paar. De met bloemenslingers versierde koeien worden gemolken door een jongen met een mangaankleurige hoed, een groen jasje en een blauwe broek, en een meisje met een gele hoed met een blauwe jurk. De melkers zitten naast een emmer en worden vergezeld door twee kikkers op de bovenkant van het plateau. Padden en slangen werden vaak weergegeven in dergelijke reliëfs. De pad kan worden gezien als een allegorie op de dood, en benadrukt het waarschijnlijk korte leven van de koe.

Bovendien kan het gezegde 'Er schuilt een addertje onder het gras',  verband houden met de beeldspraak van de slang. Dit is waarschijnlijk een verwijzing naar het wrede lot van de koe, die nu is versierd met een prachtige krans, maar binnenkort zal worden geslacht.

In de Sinnen- en minnebeelden uit 1627 van dichter Jacob Cats (1577-1660) staat een prent afgebeeld met een parade van een slagersgilde geïllustreerd met een metaforisch gedicht. Het verbindt de os, in zijn beste vorm en mooi gedecoreerd, maar op het punt te worden geslacht, met het verlies van welvaart.

Painting by Paulus Potter, cattle, farmer and meadow
Paulus Potter, De Stier, 1647, collectie Mauritshuis • Bron

Ook Nederlandse schilders en prentkunstenaars lieten zich inspireren door de zeventiende-eeuwse parade en het feest van de gilde-os, en hun weergaven lijken op die van de Delftse plateelbakkers. Portret van een witte stier, circa 1647, toegeschreven aan Paulus Potter (1625-1654), toont een stier met een bloemenslinger om zijn nek.

Geschilderd door dezelfde kunstenaar is De Stier, in de collectie van het Mauritshuis in Den Haag. Op de voorgrond is een kleine pad te zien, vergelijkbaar met die op de plateaus van een aantal Delftse koeien.

Traditie

De beschrijving van een parade van het slagersgilde door Jan ter Gouw in De Volksvermaken (1871) biedt een interessant inzicht.  ''Het beest was bedekt met bloemen en kransen en zijn hoorns waren verguld; de drums en pijpen kwamen eerst; de gildevaandel waaide in de lucht, de gildebroeders marcheerden er vrolijk omheen en de stadsbewoners volgden samen met neuriën en zingen.”2  De door Ter Gouw genoemde versieringen van het dier komen dus overeen met die op de Delftse objecten.

Ter Gouw geeft tevens inzicht in waarom de versierde os ook in latere eeuwen een belangrijke traditie bleef: “Toen het omleiden van den gilde-os bij de gilden reeds in onbruik raakte, hielden de slagers het nog lang in leven. Wanneer zij een bijzonder groot of vet beest gekocht hadden, omkransten zij het nog, en leidden het met trommelslag de voornaamste wijken der stad rond, opdat elk, die 't zag, er een stuk van bestellen zou; en ofschoon er geen gild meer meê te maken had, behield het toch den traditioneelen titel, omdat die iets uitstekends uitdrukte.''3

Dit artikel is eerder verschenen op de website van Aronson Delftware.

  • 1. Transcript van de inventaris in M.S. Van Aken-Fehmers, e.a. Delfts aardewerk, Geschiedenis van een nationaal product, Volume II, Zwolle / Den Haag (Gemeentemuseum) 2001, pp. 221-223.
  • 2. J. ter Gouw, De Volksverhalen, 1871, p.555.
  • 3. J. ter Gouw, De Volksverhalen, 1871, p.556.