C
Céline Ariaans  •  19 maart 2020

Delft in de zeventiende en achttiende eeuw

Voor veel mensen is 'Delft' synoniem aan het aardewerk dat er in de zeventiende en achttiende eeuw werd geproduceerd. Hoewel het nog steeds enigszins een mysterie is waarom Delft in de zeventiende eeuw een van de belangrijkste centra van faienceproductie werd, is het interessant om het sociale, politieke en culturele klimaat te verkennen waarin de pottenbakkerijen werden opgericht en tot bloei kwamen.

De Republiek der Verenigde Provinciën had een opvallende staatsvorm tussen de vele Europese monarchieën. Nederland was een kleine, maar machtige staat zonder koning, en in de tweede helft van de zeventiende eeuw was het land economisch en politiek zeer sterk.

De kloof tussen arm en rijk was in Nederland veel kleiner dan elders

De republiek kende de voorgaande zeventig jaar een gestage, ononderbroken welvaartsgroei, niet alleen door de accumulatie van welvaart, maar ook door de technische en economische voorsprong die Nederland had ten opzichte van andere Europese landen. Deze groei resulteerde gedurende lange tijd in het hoogste gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking in Europa.

Verder was de kloof tussen arm en rijk in Nederland veel kleiner dan elders. Als gevolg hiervan was er een zeer grote, welvarende middenklasse die zich allerlei luxe kon veroorloven, een uniek fenomeen in Europa.1

Industrie

Aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog in de zestiende eeuw was Delft een van de grootste en machtigste steden van Nederland; het was de zetel van het Koninklijk Hof en het politieke centrum van de nieuwe Republiek. De handelssteden profiteerden enorm van de snelle economische groei vanaf 1600 door zowel de ontwikkeling van handel als industrie. De handel bloeide echter nooit in Delft, ook niet na de aanleg van de haven van Delfshaven en de oprichting van een kamer van de VOC. Delft bleef vooral een industriële stad.2

De groei van Delft in de zeventiende eeuw had ook een bescheiden omvang. In 1622 telde de stad 20.000 inwoners en in 1680 waren dat er ongeveer 22.000. Ook de architectonische groei bleef achter; er werden slechts een paar opmerkelijke gebouwen gebouwd na de grote brand in 1536.

De andere grote beproevingen van de stad, zoals de dramatische explosie van het kruitmagazijn in 1654, die een groot aantal woningen in de stad wegvaagde, leidden nauwelijks tot bouwplannen voor nieuwe woonwijken, maar vooral tot aanleg van grote pleinen en tuinen.3

Egbert Lievensz. van der Poel, Gezicht op Delft na de explosie van 1654, Collectie National Gallery, London • Bron

Brouwerijen

Delft vergaarde lange tijd zijn rijkdom met de handel in granen en bier. In de zestiende eeuw waren de brouwerij- en textielindustrie de belangrijkste ambachten en vormden ze een grote bron van werkgelegenheid. Ondanks hun culturele en economische belang waren deze ambachten voor Delft problematisch. De textielindustrie vervuilde het water, wat vervolgens de brouwerijen schaadde, omdat schoon water een onmisbaar ingrediënt was voor goed bier.

Al in de zestiende eeuw werd dit belangenconflict opgelost in het voordeel van de brouwerijen. Desalniettemin verslechterde de kwaliteit van het bier en was de industrie tegen het einde van de zestiende eeuw tanende.4 Nadat de handelsrelaties met Vlaanderen, Brabant en Noord-Frankrijk als gevolg van politieke omstandigheden verslechterden, nam de opkomende stad Rotterdam beslag op de markt voor de bierhandel.5 Toen de brouwerij-industrie in Delft minder opleverde, gingen geldschieters op zoek naar nieuwe investeringen in land, staatsleningen en aandelen in de VOC.

Een belangrijke nieuwkomer in de Delftse economie was de aardewerkindustrie

Om de daling in werkgelegenheid in de brouwerij-industrie te compenseren, probeerde de stad textielondernemers aan te trekken, vooral Vlaamse immigranten. Deze geïmporteerde textielindustrie had echter matig succes. Er waren maar weinig Delftse lakenhandelaren die rijk werden. De industrie was in de eerste plaats bedoeld om de allerarmsten van de straat te houden en vrouwen en kinderen een gering extra inkomen te bieden.6 Alleen de tapijtweverij was aanvankelijk een meer bloeiende industrie.7

Aan het water

Dat Delft het hart van de Nederlandse Gouden Eeuw werd, was vooral te danken aan haar positie als regionaal centrum. Een belangrijke nieuwkomer in de Delftse economie was de aardewerkindustrie.

Aan het einde van de zestiende eeuw vestigden meerdere majolica-pottenbakkers zich in Delft. Zij betrokken de verlaten brouwerijen aan de grachten. Deze locatie bleek bijzonder handig te zijn voor de pottenbakkers; het water was een belangrijke bron voor het bewerken van de klei en voor het transport van ruwe en bewerkte materialen.

Caspar Luyken naar Jan Luyken, De Brouwer, 1694, Collectie Rijksmuseum Amsterdam • Bron

Delfts aardewerk

Met de productie van Delfts aardewerk groeide de keramiekindustrie in de tweede helft van de zeventiende eeuw enorm. In 1640 waren er elf fabrieken met gemiddeld vijftien schilders en bedienden. In 1670 groeide het aantal fabrieken tot 28 met ongeveer zestig werknemers per fabriek.8

Hoewel de rijkdom en de sociale invloed van de pottenbakkers minder was dan die van de voormalige brouwers9, werden de plateelbakkerijen de belangrijkste werkgevers in Delft.10 In de loop van de achttiende eeuw werd de onderlinge concurrentie echter steeds heviger en werd ook de afzetmarkt bedreigd. Dit resulteerde in een afname van het aantal fabrieken; in 1750 waren twintig fabrieken nog actief en aan het einde van de eeuw nog maar elf.11

Delft verloor tussen 1680 en 1730 bijna een derde van de bevolking

Tussen het begin van de Tachtigjarige Oorlog en het einde van de achttiende eeuw veranderde Delft van een relatief invloedrijk administratief centrum in een provinciestad. Hoewel Delft halverwege de zestiende eeuw de tweede stad van Nederland was, werd het in de zeventiende eeuw ingehaald door andere steden. Delft verloor tussen 1680 en 1730 bijna een derde van de bevolking, ondanks het succes van de aardewerkindustrie.12 De sterke afname van welvaart en bevolking was het gevolg van de stijgende voedselprijzen vanaf 1770 en betekende de ondergang van de aardewerkindustrie.13

Dit artikel is eerder gepubliceerd op de website van Aronson Delftware.

  • 1. [1] J.D. van Dam, Delffse Porceleyne, Dutch Delftware 1620-1850, Zwolle/Amsterdam (Rijksmuseum), 2004 ,pp. 27-28
  • 2. M.S. van Aken-Fehmers, L.A. Schledorn, A.-G.Hesselink, T.M. Eliëns, Delfts aardewerk. Geschiedenis van een nationaal product, Volume I, Zwolle /Den Haag (Gemeentemuseum) 1999, p. 37
  • 3. K. van der Wiel, 'Zicht op Delft in de 17de en 18de eeuw', in: De snijkunst verbeeld, 2002, p. 9
  • 4. Van Aken-Fehmers 1999 (noot 1), p. 37
  • 5. Van der Wiel 2002 (noot 3), p. 12
  • 6. Idem, pp. 12-13
  • 7. François Spierinck established a carpet weaving factory in Delft. The company of this renowned tapisier had several European courts among its clientele, but the proximity of other textile centers such as Leiden was a major obstacle to the development of a large meaningful textile industry. Van der Wiel 2002 (noot 3), p. 12 and Van Aken-Fehmers 1991 (noot 1), p. 37
  • 8. Van Aken-Fehmers 1991 (noot 1), pp. 37-38
  • 9. Van der Wiel 2002 (noot 3),p. 14
  • 10. Van Aken-Fehmers 1991 (noot 1), p. 38
  • 11. Ibidem
  • 12. Van der Wiel 2002 (noot 3), p. 11
  • 13. Idem, p. 31