R
Redactie  •  17 juli 2019

Plateelbakkers in het Sint Lucas Gilde

Vanaf de middeleeuwen is stedelijke nijverheid georganiseerd in gilden. Een gilde heeft een religieuze en sociale functie, maar is er vooral om de economische belangen van zijn leden te beschermen.

De structuur van het St. Lucasgilde: poorters, meesters en hoofdmannen

Om lid te kunnen worden van een gilde moet je poorter zijn, een geregistreerde inwoner van een stad. Kinderen van poorters krijgen het poorterrecht automatisch, anderen moeten het kopen. En wie een zelfstandig plateelbedrijf wil beginnen moet eerst nog meester worden. Dat betekent dat je zes jaar bij een meester in de leer gaat, daarna een meesterproef moet afleggen en ook nog een financiële bijdrage betaalt voor de begeerde titel.

Het gilde wordt bestuurd door een aantal hoofdmannen, gekozen uit de meesters. Zij zijn verantwoordelijk voor een goede gang van zaken binnen het gilde, leggen financiële verantwoording af en beslechten interne conflicten. Ook houden zij contact met de stedelijke overheid. Het Delftse stadsbestuur stelt bovendien voor elk gilde een deken aan. De deken, meestal lid van de vroedschap, houdt namens het stadsbestuur toezicht op het gilde en controleert de financiële verslaglegging.

A. Rademaker, Gesigt van het St. Lucas Gilde-Huys in Delft, gegraveerd: L. Schenk, 1736, collectie TU Delft. • Bron

Borduurwerkers en boekverkopers

De plateelbakkers in Delft vallen onder het Lucasgilde, samen met andere kunstzinnige ambachtslieden als schilders, glazenmakers, glasverkopers, borduurwerkers, beeldhouwers,  boek- en kunstverkopers deel uit maakten. Vanaf 1661 (1611?) maken de ‘porceleynbackers’ en verkopers van aardewerk officieel deel uit van het gilde.

 

Naarmate de plateelnijverheid bloeit neemt de status van de plateelbakkers binnen het gilde toe

Naarmate de plateelnijverheid in de loop van de zeventiende eeuw groeit en bloeit neemt de status van de plateelbakkers binnen het gilde toe. Vanaf 1648 worden ook twee plateelbakkers als hoofdmannen aangesteld. In 1678 maken de plateelbakkers zelfs aanspraak op een eigen gilde, maar dat mislukt. Wel komt er in 1689 een afzonderlijke directie van drie plateelbakkers voor de aardewerknijverheid. Die fungeert vooral als aanspreekpunt en woordvoerder.

Meesterknecht

Een plateeldraaier, -vormer of -schilder moet eerst meester bij het Lucasgilde worden om een eigen plateelbakkerij te beheren. Wel mag zijn weduwe het bedrijf voortzetten als een meester-plateelbakker overlijdt, mits ze een meesterknecht of bedrijfsleider in dienst heeft. Een bekend voorbeeld is Johanna van der Heul, de weduwe van Pieter Adriaansz. Kocx, die van 1703 tot 1722 De Grieksche A beheert.

Vanaf 1661 is het namelijk mogelijk om een meester als bedrijfsleider aan te stellen, de meesterknecht, en hoeft de eigenaar niet meer zelf over het meesterschap te beschikken. De meesterknecht ‘bevrijdt’ in dat geval de plateelbakkerij. De eigenaar moet zich dan wel bij het Lucasgilde inschrijven als winkelhouder –  in het Middelnederlands betekent winkel ook nog een werkplaats.

Meerdere eigenaren

Omdat er voor een plateelbakkerij hoge investeringen nodig zijn, zijn in de loop van de zeventiende eeuw vaak meerdere personen eigenaar van één bakkerij. Sommige eigenaren hebben wel weer een belang in meerdere plateelbakkerijen. De bakkerij staat op naam van één beherend eigenaar, die meester of winkelhouder is, de overige eigenaren zijn participanten. Een meester mag niet meer dan één bakkerij beheren, en naast de reguliere werknemers, zijn knechten, maximaal twee leerlingen tegelijk in dienst nemen.