Ontdek

Begrippenlijst

B

  • Bakgang

    Het hele proces van stoken, bakken en afkoelen dat het aardewerk in de oven ondergaat. Doorgaans was er sprake van twee bakgangen: de biscuitbrand en de gladbrand.

  • Biscuit

    Eenmaal gebakken ongeglazuurd aardewerk.

  • Biscuitbrand

    De eerste bakgang, waarbij het ongeglazuurde aardewerk wordt gebakken, met als resultaat het biscuit.

  • Bord

    Tot de groep borden worden die exemplaren gerekend die een diameter tot 26 cm. hebben, daarboven wordt in het algemeen gesproken over schotels.

C

  • Creamware

    Hard gebakken aardewerk met een crèmekleurige scherf, bedekt met een laag transparant loodglazuur.

  • Chinoiserie

    Het verwerken van aan de Chinese kunst ontleende motieven in de Europese kunst om daarmee een exotische, oosterse sfeer op te roepen. De Delftse plateelnijverheid heeft een belangrijke bijdrage aan deze mode geleverd. Dit komt niet alleen tot uiting in de toegepaste versieringsmotieven, maar ook in de in oosterse stijl uitgevoerde vormen.

  • Craquelures

    (Haar)scheuren in het glazuur, veroorzaakt door een verschil in krimp tijdens de gladbrand tussen het glazuur en de scherf.

  • Chamotte

    Vuurvaste klei die als ingrediënt van de aardewerkmassa zorgt voor een steviger scherf.

D

  • Draaier

    Vakman die voorwerpen op de draaischijf maakt.

E

  • Eierschaalporselein

    Porselein met een zeer dunne wand.

  • Email

    Glasachtig (ondoorzichtig of transparant) pigment dat is gekleurd met metaaloxides.

  • Engobe

    Dunne laag gekleurde klei waarmee een keramisch voorwerp minder poreus wordt en tevens een fraaier uiterlijk krijgt.

  • Entredeux aardewerk

    Aardewerk dat tijdens het bakproces (kleine) onvolkomenheden heeft opgelopen. De term wordt bijvoorbeeld door Paape gehanteerd in zijn publicatie De Plateelbakker of Delftsch aardewerkmaaker (1794).

F

  • Fabrieksmerk

    Merk waarmee de productieplaats (plateelbakkerij) wordt aangegeven. In het merk is de naam van de plateelbakkerij, of de naam van een eigenaar of beheerder verwerkt. Daarnaast werden ook figuratieve merken gebruikt.

  • Faience

    Voorwerpen van aardewerk met een dunne scherf die volledig zijn overtrokken met een (meestal) witte, dekkende laag tinglazuur. De voorwerpen hebben een gladde voorkant. Op de onderkant zijn de afdrukken zichtbaar van de pennen waarop de objecten tijdens de bakgang in de kokers rusten.

  • Familles

    Geëmailleerd Chinees porselein wordt onderverdeeld in verschillende kleurfamilies, namelijk vert (groen), rose (roze), noir (zwart) en jaune (geel). Deze onderverdeling werd in de negentiende eeuw gemaakt.

G

  • Gladbrand

    De tweede bakgang ter vasthechting van de opgebrachte glazuurlaag bij een temperatuur van circa 1000 ºC. Ter voorkoming van het aan elkaar bakken, mogen de voorwerpen tijdens dit proces niet met elkaar in aanraking komen.

  • Glazuur

    Glasachtige laag op keramiek.

  • Goudschilderoven

    Kleine plateelbakkersoven waarmee kleinere partijen aardewerk kunnen worden gebakken. Enkele goudschilders hadden dergelijke ovens in huis, vermoedelijk om daarmee het met goud gedecoreerde aardewerk volgens de kleinvuurtechniek te kunnen afbakken.

  • Grootvuurtechniek

    Het bakproces waarbij de voorwerpen bij een temperatuur van circa 1000 ºC worden gebakken.

H

  • Huid

    Het oppervlak van een keramisch voorwerp.

K

  • Kangxiporselein

    (Chinees) porselein: tijdens de Kangixdynastie (1662-1722) ontstond het Kangxiporselein met bijvoorbeeld zijn karakteristieke vrouwenfiguren (Lange Lijzen). In deze periode werd naast blauw-wit ook polychroom goed gemaakt dat eveneens deel uitmaakte van het Qianlongporselein (1736-1795).

  • Kakiemon en imari porselein

    Typen Japans porselein waarvan de decoratie in Delft werd nagebootst. Het veelkleurige Kakiemon (genoemd naar een pottenbakkersfamilie) en het in blauw, rood en goud gekleurde Imari (genoemd naar de havenplaats Imari) deden omstreeks de jaren tachtig van de zeventiende eeuw hun intrede op de Hollandse markt.

  • Kleinvuurtechniek

    Het bakproces dat bij een temperatuur van circa 600 º C plaatsvindt. Dit gebeurde doorgaans in kleine ovens, ook wel aangeduid als goudschilderovens.

  • Koker

    Een cilindervormige, aardewerken cassette waarin aardewerk kan worden gebakken. De verschillende lagen aardewerk rusten op aardewerken, driehoekige pennen die door de wand van de koker worden gestoken. Om het aardewerk in de koker tegen de rookgassen van de oven te beschermen, is de koker tijdens de bakgang aan de onder- en bovenzijde afgesloten door een tegel.

  • Kraakporselein

    (Chinees) porselein (zo genoemd naar caracca, het Portugese woord voor de schepen waarmee het porselein uit China werd vervoerd) dat werd vervaardigd tijdens keizer Wanli (1573-1619) en diens opvolgers tot aan de val van de Mingdynastie in 1644. De kenmerkende blauwe versiering is in vakken verdeeld en op een witte ondergrond aangebracht.

  • Kristalglazuur

    Glazuur met kristallen in het oppervlak. Deze kristallen kunnen ontstaan door een zeer geleidelijke afkoeling.

  • Kwaarten

    Het aanbrengen van een doorzichtige laag loodglazuur (kwaart genoemd) op het voorwerp ter verhoging van zijn glans.

L

  • Loodglazuur

    Een transparant, hoofdzakelijk uit loodoxide bestaande glazuur.

  • Loopglazuur

    Glazuur met een laag smeltpunt dat gaat uitlopen tijdens de gladbrand. Loopglazuren worden aangebracht op een glazuur met een hoger smeltpunt.

  • Lusterglazuur

    Glazuur met een metaalglans, verkregen door de toevoeging van metaaloxydes.

M

  • Majolica

    Aardewerk dat aan de voorzijde van een dekkende laag tinglazuur is voorzien en aan de achterzijde van doorzichtig loodglazuur. Door het gebruik van proenen bij het bakproces zijn op het oppervlak de kenmerkende proenafdrukken zichtbaar.

  • Majolicanijverheid

    De nijverheid waarin het majolica werd geproduceerd. Deze nijverheid werd in de zestiende eeuw door Zuid-Europese majolicabakkers in noordwest Europa geïntroduceerd.

  • Meesterteken

    Een doorgaans door het gilde verplicht gesteld merk dat een meester van het gilde op een in zijn werkplaats vervaardigd product stelde, waarmee de herkomst van een product kon worden vastgesteld. Vooral in de zilver- en goudnijverheid werden meestertekens gebruikt.

  • Mergel

    Door aan het kleimengsel de mergelsoort Doornikse aarde toe te voegen, kreeg het voorwerp een lichtgele scherf.

  • Monochroom

    Decoratie in één kleursoort.

O

  • Overgangsporselein

    Chinees) porselein dat werd geproduceerd in de periode van de overgang van de Ming naar de Qingdynastie (1644-1662). Dit blauwwitte porselein kent een versiering van onder meer doorlopende, verhalende taferelen.

P

  • Pâte-sur-pâte

    Decoratie op porselein met half-vloeibare, (witte) porseleinslib die gekleurd kan worden met metaaloxyden.

  • Plateelbakker

    Producent van tinglazuuraardewerk waartoe zowel majolica als faience behoren.

  • Plateelbakkerij

    Productieplaats van tinglazuuraardewerk.

  • Plateelschilder

    Een schilder die speciaal is opgeleid om aardewerk te beschilderen.

  • Platgoed

    Verzamelnaam voor platte voorwerpen als borden en schotels, dit in tegenstelling tot staand goed.

  • Polychroom

    Decoratie in meerdere kleursoorten.

  • Porceleynbacker

    De contemporaine aanduiding in Delft voor een producent van de op porselein lijkende faience.

  • Porselein

    Keramiek met een niet-poreuze, harde scherf die ontstaat bij een baktemperatuur van circa 1300-1500 ºC.

  • Porseleinaarde

    (Kaolien of chinese klei). De onmisbare grondsoort voor het vervaardigen van porselein.

  • Proen

    Driehoekige steuntjes van keramiek die bij het bakproces tussen de majolica voorwerpen werden geplaatst om te voorkomen dat de geglazuurde stukken aan elkaar zouden bakken.

  • Proenafdruk

    Oneffenheden op de voorzijde van majolica die worden veroorzaakt door de proenen waarop de voorwerpen tijdens het bakken rusten.

R

  • Reducerend stoken

    Het afsluiten van de zuurstoftoevoer tijdens de gladbrand (bij een relatief hoge temperatuur), waarbij kleurvariaties en structuureffecten ontstaan.

S

  • Scherf

    De aanduiding voor gebakken klei die niet geglazuurd is noch geëmailleerd.

  • Schoon aardewerk

    Het kant-en-klare onbeschadigde product, in tegenstelling tot het entredeux of wrak goed.

  • Sgrafitto

    Techniek waarbij de decoratie in de huid (met een engobe) van een keramisch voorwerp wordt gekrast.

  • Sectielaardewerk

    Aardewerk waarbij voegverbindingen de hoofdlijnen van de tekening volgen, te vergelijken met glas-in-loodramen.

  • Signatuur

    De op een kunst- of kunstnijverheidsvoorwerp aangebrachte handtekening van de feitelijke maker.

  • Sinterengobe

    Vermenging van een engobe met een glasachtige stof, bedoeld om een keramisch voorwerp een glazuurachtige glans te geven.

  • Spons

    Blad met een uitgestoken contourtekening van een decoratie die met houtskoolpoeder kan worden overgebracht op een keramisch voorwerp.

  • Steengoed

    Harde, niet-poreuze keramieksoort.

  • Schotel

    Tot de groep schotels worden die exemplaren gerekend die een diameter vanaf 26 cm. hebben, daaronder wordt in het algemeen gesproken over borden.

T

  • Tinglazuur

    Een witte, dekkende glazuur met tinoxide, vroeger doorgaans 'wit' genoemd.

  • Tinglazuurbad

    Kuip met tinglazuur waarin de eenmaal gebakken goederen (biscuit) werden ondergedompeld teneinde een volledig wit oppervlak te verkrijgen. Hierin kon de plateelschilder vervolgens een decoratie aanbrengen.

  • Transferprint

    Techniek (ook wel calqueertechniek) waarbij een decoratie met behulp van geprepareerd papier op een keramisch voorwerp kan worden gebakken.

W

  • Wrak aardewerk

    Aardewerk dat door onvolkomenheden van aanzienlijk mindere kwaliteit is dan bedoeld. Zie ook: entredeux aardewerk.