Ontdek

Organisatie

Lucasgilde

Vanaf de middeleeuwen was de stedelijke nijverheid doorgaans georganiseerd in gilden. Naast een religieuze en sociale functie, diende het gilde vooral om de economische belangen van zijn leden te beschermen. Het gilde behartigde de belangen van de nijverheid bij het stadsbestuur. Om lid te kunnen worden van een gilde moest je poorter zijn. Kinderen van poorters kregen het poorterrecht automatisch, andere moesten het kopen.  Het meesterschap, noodzakelijk om een zelfstandig bedrijf te voeren, werd vaak beschermd door het verplicht stellen van een meesterproef en een aanvullende financiële bijdrage.

De plateelbakkers in Delft behoorden tot het Lucasgilde waarvan eveneens schilders, ‘glasschrijvers’, glazenmakers, glasverkopers, tapisiers, borduurwerkers, plaatsnijders, beeldhouwers, foedraalmakers, boekverkopers en kunstverkopers deel uit maakten. Het maken van afbeeldingen, kunstzinnig of ambachtelijk, onderscheidde hen van andere ambachtslieden. Vanaf 1661 maakte ook de ‘porceleynbackers’ (die in de praktijk al onder het gilde vielen) en verkopers van aardewerk officieel deel uit van het gilde.

Boven het gilde stond een aantal hoofdmannen, gekozen uit de meesters. Zij waren verantwoordelijk voor een goede gang van zaken binnen het gilde, het afleggen van de financiële verantwoording en het beslechten van interne conflicten. Ook onderhielden deze hoofdmannen de contacten met de stedelijke overheid. Maar het Delftse stadsbestuur stelde bovendien voor elk gilde een deken aan. De deken, meestal een lid van de vroedschap, moest namens het stadbestuur toezicht houden op het gilde en de financiële verslaglegging controleren. Met de opkomst van de plateelnijverheid in de loop van de zeventiende eeuw nam de status van de plateelbakkers binnen het gilde toe. Naast twee schilders en twee glasgraveurs werden vanaf 1648 ook twee plateelbakkers als hoofdmannen aangesteld. In 1678 zouden de plateelbakkers, zonder succes overigens, zelfs aanspraak maken op een eigen gilde. Wel werd in 1689 naast de hoofdlieden en deken van het Lucasgilde een afzonderlijke directie van drie plateelbakkers aangesteld over de plateelnijverheid. De directie fungeerde veelal als aanspreekpunt of woordvoerder maar had geen regulerend gezag.

Meesterschap

Een plateeldraaier, -vormer of –schilder kon enkel na het verwerven van het meesterschap van het Lucasgilde een eigen plateelbakkerij beheren. Hiertoe diende men na zes jaar bij een meester in de leer te zijn geweest vanaf 1654 ook een meesterproef af te leggen en daarnaast was er een financiële bijdrage aan de begeerde titel gekoppeld. In het geval van overlijden van een beherend meester-plateelbakker mocht zijn weduwe het bedrijf voorzetten zonder over het meesterschap te beschikken. Een bekend voorbeeld hiervan is Johanna van der Heul, de weduwe van Pieter Adriaansz. Kocx, die van 1703 tot 1722 De Grieksche A beheerde. Vanaf 1661 was het mogelijk om een meester als bedrijfsleider aan te stellen, de meesterknecht, waardoor de eigenaar niet meer zelf over het meesterschap hoefde te beschikken. De meesterknecht ‘bevrijdde’ in dat geval de plateelbakkerij, zoals dat destijds heette. De eigenaar diende zich dan wel bij het Lucasgilde in de schrijven als winkelhouder, waarbij winkel naast de huidige betekenis in het Middelnederlands een werkplaats betekende. In verband met de hoge investeringen benodigd voor een plateelbakkerij, waren er in de loop van de zeventiende eeuw steeds vaker meerdere personen eigenaar van één plateelbakkerij. Daarnaast hadden sommige eigenaren een belang in meerdere plateelbakkerijen. Voor wat het Lucasgilde betreft stond een bakkerij op naam van één beherend eigenaar, die meester of winkelhouder was, en waren de overige eigenaren slechts participanten. Per bakkerij had slechts één meester de rechten van het meesterschap en een meester kon niet meer dan één bakkerij onder zijn naam beheren. Naast de reguliere werknemers, de knechten, mocht een meester maximaal twee leerlingen tegelijk in dienst nemen uitgezonderd zijn eigen kinderen.

Afzetmarkt

Naar schatting werden per jaar miljoenen stuks aardewerk in Delft geproduceerd, waarvan het merendeel gebruiksgoed betrof. Maar hoe vonden deze een afzetmarkt? Allereerst leverde de plateelbakkerij direct aan binnen- en buitenlandse kooplieden en consumenten. Het woonhuis van de beherende plateelbakker, aangrenzend aan de werkplaats,  bevatte doorgaans een winkelkamer, waarin het aardewerk werd uitgestald op tafels en planken en in hokken. Grotere kooplieden, met wie soms exclusieve handelscontracten werden afgesloten, werden apart ontvangen in een voornaam vertrek gedecoreerd met goudleerbehang en schoorsteenstukken.

Naast de directe verkoop werd het Delfts aardewerk ook door het hele land verkocht in aardewerkwinkels,  op markten en kermissen, of via straatventers. Binnen de Republiek had het Delfts aardwerk een grote verspreiding, waarbij het merendeel van de handel buiten Delft echter via koopmanshuizen en winkeliers in handelssteden als Amsterdam en Rotterdam verliep. Per schuit en meestal in manden of kisten verpakt bereikte het aardewerk deze steden.

Amsterdam en Rotterdam waren behalve voorname afzetgebieden ook belangrijk doorvoerhavens voor de export van Delfts aardewerk naar omringende landen en verder. De bewaard gebleven schuldboeken (debiteurenboeken) van de Delftse plateelbakkerijen geven een indruk van de omvang van het afzetgebied en vermelden leveranties aan klanten in onder meer de Zuidelijke Nederlanden, de Duitse landen, Engeland, Frankrijk, Denemarken, Spanje en Polen en ook verre bestemmingen als Curaçao of Boston.