Ontdek

Delfts aardewerk

Delfts aardewerk is tinglazuuraardewerk dat in Delft is geproduceerd.

Deze omschrijving kent echter interpretatieverschillen. Enkele nuances wat betreft techniek, terminologie, plaats en periode zullen hieronder besproken worden.

Delfts aardewerk is gemaakt van een geelbakkende klei  met daaroverheen een (meestal) wit, ondoorzichtig tinglazuur dat de ondergrond voor de beschildering vormt. Met een baktemperatuur rond de 1000 ËšC versmelten klei en glazuur niet tot één geheel, waardoor het glazuur dat bovenop ligt er bij stoten gemakkelijk af kan springen (chips). Naast het welbekende ‘Delfts blauw’ kan Delfts aardewerk ook ongedecoreerd wit of meerkleurig (polychroom) beschilderd zijn. Delfts aardewerk wordt in kokers (cassettes) in de oven gebakken, waardoor het glazuur beschermd is tegen de rookgassen. In de kokers rusten de stukken aardewerk met de onder- of achterzijde op pennen.

Kenmerkend voor Delfts aardewerk is:

  • een dunne, gelige scherf
  • tinglazuur aan alle zijden
  • penafdrukken aan de achter- of onderzijde

In de zeventiende- en achttiende-eeuw sprak men over Delffs porceleyn. Deze benaming benadrukte de uiterlijke overeenkomst met het oosterse porselein. Maar echt porselein werd bij gebrek aan porseleinaarde (kaolien) in Delft niet gemaakt. De internationaal gangbare term voor tinglazuuraardewerk is faience.

Het tinglazuuraardewerk dat zijn oorsprong in het Midden-Oosten (negende eeuw) vindt verspreidde zich naar Noord-Europa via Spanje en Italië. De term faience is dan ook afkomstig van de Italiaanse stad Faenza, een belangrijk tinglazuurcentrum in de zestiende eeuw. Verwarrend genoeg wordt Italiaans tinglazuuraardewerk uit de Renaissance niet faience maar maiolica genoemd, naar het eiland Mallorca waarlangs Hispano-moresque tinglazuuraardewerk het land bereikte. In Nederland is majolica (met een j) echter de benaming voor de voorloper van het Delfts aardewerk. Hierbij is slechts de voorzijde van objecten bedekt met tinglazuur waarin afdrukken zijn te zien van de zogenaamde proenen. Zowel Nederlandse majolica als faience wordt vanaf de zeventiende eeuw ook wel plateel genoemd.

Delft was in de late zeventiende en begin achttiende eeuw in Europa de onbetwiste marktleider van tinglazuuraardewerk zowel wat betreft kwaliteit als kwantiteit. Rond 1700 waren maar liefst 33 plateelbakkerijen in de stad actief met een grote, internationale afzetmarkt. In Nederland werd naar hetzelfde procedé echter ook tinglazuuraardewerk op andere locaties gemaakt, waaronder Amsterdam, Arnhem, Rotterdam, Utrecht en verschillende Friese keramiekcentra. Daarnaast produceerden Europese landen zoals Duitsland, Engeland, Frankrijk en de Scandinavische landen eveneens dit type keramiek. Het is dan ook niet verwonderlijk dat tinglazuuraardewerk vele gedaanten kent. Enkel het product uit de stad Delft wordt door ons tot ‘Delfts aardewerk’ gerekend.

Bovenstaande beschrijving is daarnaast slechts toepasbaar op de Delftse productie uit de zeventiende tot midden negentiende eeuw. Vanaf het midden van de negentiende eeuw is de benaming ‘Delfts aardewerk’ verworden tot een geografische soortnaam die geen tinglazuur meer betreft. Het keramisch product dat De Koninklijke Porceleyne Fles in Delft vanaf circa 1890 op de markt brengt heeft wel een vergelijkbare verschijningsvorm, maar is volgens een andere techniek vervaardigd. Dat geldt eveneens voor in Nederland buiten Delft gemaakte keramiek met eenzelfde uitstraling en dikwijls de aanduiding ‘Delft’ aan de onderzijde. Heden ten dage wordt het oorspronkelijke tinglazuurprocedé in Nederland nog slechts toegepast door Koninklijke Tichelaar Makkum.